1
O reiziger, vroeg of laat moet gij u op uw reis bezinnen.
Waarom beraadt ge u niet?
Waarom slaapt ge almaar?
O hart, neem toevlucht tot Rama.
Een vogel daalt op een boomtak neer om even te rusten; aldus spreiden de mensen hun handelswaar op de markt van deze wereld, en snel gaan zij daarna weg, de een na de ander.
U heeft op deze wereld geen waarachtige vriendschap; verkwist niet zomaar de rijkdom van uw hart( ter wille van haar).
Laat deze wereld u niet begoochelen; zij lijkt op het zijdeachtige van de katoenboombloem.
Noch uw lichaam, noch uw rijkdom is uw eigendom; hoe kan u dat dan toch uw bezit noemen?
Dadoe zegt:
Gij mag niet rusten in vrede zonder Hari; waak en schouw.
*
2
O maagd, de nacht zwicht voor de dagenraad; wend u tot de Beminde.
Waarom slaapt gij zo lang en zo diep?
Voorbij gaan de kostbare uren.
Indien gij Hem ontbeert in dit leven: hoe zal u Hem dan nog weer vinden?
Hiervan zal u berouw hebben.
O aller reinste, hoe is het dat gij slapende bent en God waakt?
Rijs op, heb berouw en omklem Zijn voeten.
Nader de barmhartige met uw smeekbeden, omhels Hem gans.
Hoe gelukzalig de bruid gebenedijd met de altijd groeiende liefde van de Bruidegom.
Dadoe zegt:
Alleen zij draagt drievoudig zegen , die haar God gevonden heeft, aller koningen Koning.
*
3
Weinigen kennen het geheim van de enige Volmaakte.
O maagd, waar leeft mijn Beminde, en wat is Hij doende?
O vriend, wat is Zijn spel, en met wie deelt Hij zijn woning?
Enkel heiligen en vromen kunnen Hem schouwen: wit brandt hun liefde.
O vriend, waar staat zijn woning? Hoe vind ik toegang tot Hem?
Dadoe antwoordt:
Elk hart is zijn woning en Hij is altijd nabij.
*
4
O mijn Al, mijn God! Waarom verliet Gij mij?
Ik leef door U, Gij zijt mijn waarachtige levensadem.
O mijn dierbare vriend, gelijk de vissen niet kunnen leven buiten het element der wateren, evenzo vermag ik niet te leven buiten U.
Het magisch juweel der gedachte ontvalt ons en wij zijn daarover zeer bedroeft.
Zonder de moederborst komt de pasgeborene om van dorst.
Hoe zal de arme voortleven als hij zijn laatste bezit verliest?
O Rama, doe over mij een kristallijnen stroom regenen van onsterfelijkheid en eindeloos geluk-, schenk Uw knecht Dadoe schalen boordenvol van Uw heilige liefde.
*
5
Ai mij, zóó menigmaal lijd ik de smart der gescheidenheid van U, mijn Geliefde, dat ik wens te sterven als ik U niet aanschouw.
Luister naar de taal van mijn angst.
Rusteloos ben ik zonder de Beminde.
Gelijk een vis die is gestrand op de oever vind ik rust zonder de Beminde.
In de vlammende brand van mijn verlangen naar de Beminde breken dag en nacht zangen in mij uit.
Ik zing mijn smarten uit gelijk de zingende vogel.
Ai mij, wie voert mij tot de Beminde?
Wie zegt mij het juiste pad naar Hem, wie zal mijn hart vertroosten?
Dadoe zegt:
Laat mij , o Heer, één oogwenk Uw aangezicht aanschouwen, dan ben ik een gezegende.
*
6
De minnaar spreekt: vertel mij, o reiziger, van mijn beminde.
O reiziger, wanneer zal Hij komen, om mij te ontmoeten?
Waar zal ik Hem zoeken, waar zal ik Hem vinden?
Waar leeft Hij en wat doet Hij nu? Vertel het mij, o reiziger.
Reiziger , wanneer zal ik de geliefde zien?
Leidt mij tot Hem die mijn leven draagt.
Geen milde slaap zal de vermoeide ogen kussen.
Hij slaapt rusteloos, dag en nacht, rusteloos met de onrustige.
Dadoe zegt:
Hoe zou de verontruste minnaar de vrede vinden in de uren van de nacht?
*
7
Aldus openbaart de wijze de Waarheid;
O minnende, sla geen acht op uw lichaamskleed.
Dan zal u hem vinden.
Hij schijnt ver weg, de zeer nabije.
Hij verblijft binnen ín u , daar heeft hij zijn woning.
Zoek Hem dáár, dan zult gij Hem vinden.
De Drager van uw leven is zeer nabij.
O minnende, daal af tot de harte diepten van uw zelf, dan zal u ingaan tot zijn verheven verblijf.
U zal in Hem wórden: water in water.
O minnende, Hij is uw eeuwige metgezel, Hij is u immer zeer nabij.
Zoek Hem, bied Hem uw lichaam en geest.
Ontwaak en aanschouw de God des heelals van aangezicht tot aangezicht.
*
8
Ontwaak, o mens, de dagenraad is nabij.
Uw leven stroomt weg, gelijk water uit de kom van uw handpalmen.
De gong luidt het uur uit.
De dag is geëindigd.
Nimmer zal de dag weerkeren.
Zon en maan seinen het u : iedere dag reist uw leven verder naar het einde toe.
Gelijk als het water in de drinkput daalt, en zoals de schaduw van de boom krimpt, aldus verteert u de tijd, dag en nacht.
Opwieken zal de zwaan van uw ziel, uw leven spoed snel ten einde.
Dadoe zegt:
Helaas, u heeft het wezen van Rama niet herkent.
*
9
Deze dag wil ik aanvangen met zangen van blijdschap.
Mijn droom werd vervuld, de Beminde is weergekeerd.
Zingend verlaten de maagden de bron.
Op hun hoofden dragen de maagden de kruiken van geloof tot den rand gevuld met het klare water der liefde.
Zingend gaan zij het pad: Heil U, o Heer van het Al !
Het mateloos licht van miljoenen zonnen zullen ons niet verblinden voor de gloed van zijn lichaam.
Viert, o minnende, de thuiskomst van God met een juichend hart.
De maagden tooien zich voor het feest, naderen Hem, roepend: Mijn Geliefde kwam tot mij, ik offer Hem mijn lichaam en ziel.
De Eeuwige werd mens, een-ge, dansend zijn vreugde vernemend, zijn roem komt uit de monden der minnenden.
De Bruidegom komt Zijn bruid tegemoet en Hij omarmt haar.
Dadoe zegt:
Onnoembaar is de blijdschap van de ranke maagd nu de gloed van zijn wezen haar helemaal omvat.
*
10
Aldus spreekt de Hoge God, de Schepper en bron aller goedheid: Ik en mijn dienaar zijn één, één zijn wij in het diepst van ons wezens.
Om mij ter wille te zijn verlaat hij alles.
Voortdurend is hij verzonken in innerlijke aanschouwing van het oneindige en voortdurend vormen zijn lippen de naam van de gezegenden Gods.
Hij zal niet ademen zolang er nog een scheiding van maar slechts een sluier tussen Hem en Mij zal zijn.
Gelijk water met water mengt, zoals een zoutkristal smelt in water en zich er in mengt; zo is de éénwording van het Ik met het Al.
Er rest geen tweevoudigheid.
*
11
Heil U, o God van het Al!
Heil U, Almachtige!
U vormt en vernietigt het ganse universum.
Niets is er buiten U.
O Heer, tijd en dood roepen Uw genade aan.
Yama is slaaf van Uw maya.
Vrees doorhuivert de hongerige dood, en groot is de vrees in mijn hart.
Al wat ons met banden bind aan de wereld, beeft voor de schepper.
Hij verslaat de vijanden in ons en om ons en effent ons pad.
De Heer waakt over ons, de Heer waakt ín ons.
Dadoe zegt:
De dienaar van Rama wordt nimmer bedreigd door gevaar, hij is zonder vrees.
*
12
Logen: dit tijdperk van Kali (duisternis)
Geen woorden kunnen het vangen.
Nectar noemt men gif, rijkdom noemen zij armoede, armoede rijkdom en onrecht recht.
Rein heet daar onrein, onrein rein en de vrome is een rover.
Goud benoemen zij als glas, glas goud, diamant noemen zij een steen.
De robijn is een lijfsieraad, een lijfsieraad een robijn, onwaar het ware.
Het juweel der gedachte is hun slechts een kluit aarde, een kluitaarde een gedachte-juweel en de wens-vervullende koe noemen zij alledaags.
Zij spreken van sandelhout als van gewoon hout en van gewoon hout als sandelhout.
Nat is droog, droog nat en puur noemt men weeheid.
Dadoe zegt:
Aldus de geest van deze nachtdonkere eeuw.
Waarheid werd verduisterd.
*
13
Hari alleen is mijn rots en mijn redder.
Ik ben geen wijze, geen kenner van de heilige geschriften, de taal en de tekenen der sterren zijn mij vreemd.
Mijn lichaam is vervuilt, de volkomenheid is ver weg.
Ik bedreef geen zelftucht, mijn zinnen zijn verwilderd.
Nooit toog ik ter pelgrimage.
Gebrekkig bleef mijn eerbied voor de tempel, ook keerde ik niet ín tot mijn Zelf.
Ik ben geen genezer en ook geen prediker.
Ik koester geen hunkering naar één dezer dingen.
Dadoe zegt:
Biedt uw hart aan, aan de gezegende God, stel op Hem uw vertrouwen.
*
14
De kinderen dezer wereld zijn blind, hun ogen zijn machteloos.
De Schepper werd onzichtbaar voor hen.
Zij aanbidden stok en gesteente, stuwend de dood in hun ziel.
Onzichtbaar werd hun het Wezen des Als, zij storten ter helle.
In de klaarheid van de dag buigen zij voor de onware goden en godinnen:
Hoe zouden zij de Alomtegenwoordige kunnen schouwen, hoe zouden zij de Heilige God kunnen schouwen?
Het gebaar van hun aanbidding geldt enkel de bedriegende schimgeest en de demon, wangedrocht en dier; hoe zouden zij Hem kunnen zien, de Schepper van het Al ?
Zij zoeken slechts zichzelf en bieden zich aan, aan het boze.
Dadoe zegt:
Gedoemd zijn zij tot lijden die RAMA niet kennen, zij sterven voortdurend.
*
15
Ik geloof in de énen oneindige God.
Ik geloof in geen ander.
Hij alleen vindt Gods pad, aan wie het werd geopenbaard.
Ontelbaar zijn de religiën die worden beleden: ík ken slechts één weg.
Dadoe zegt:
Ik geloof slechts in Hem, de Schepper van het Al.
*
16
Vandaag is mijn Ramjee gekomen,
mijn Ramjee kwam tot dit bedelaarshuis.
Alom heerst feestelijke vreugde.
Ik wil een terras voor hem bouwen.
Parels zullen het strooisel onder zijn voeten zijn.
Ik vlecht voor hem de sierlijkste sandaal.
Ik schenk Hem mijn lijf, geest en m’n schatten.
Mijn ootmoed zal róndom Hem gaan.
Ik zal Hem stil en devoot dienen.
Ik zal wuiven met de lampen.
Ik wil zijn goedheid verwerven.
Ik nijg, ter offerande, mijn hooft Hem toe.
Zijn liefde zal mij laven.
Woordeloos werd het geluk nu ik de oceaan Zijner zegeningen vond.
Dadoe zegt:
De grote Éne zag ik aan, der drie werelden God.
*
17
Haast u o hart, naar de plaats waar Hij woont die mijn Vriend is.
Daar is geboorte noch dood.
Daar binden geen banden.
Vreemdheid is er dwaasheid.
Er heerst noch mijn, noch dijn.
Niet langer is de ziel gevangene van het vlees.
Dáár zal de ziel niet sterven.
Tijd verkeert er in tijdeloosheid, en oneindig is het Leven.
O dit gewest der onsterfelijk zijnden!
Ziekte en zorg blijven daar verre van.
Luister: Het is het Koninkrijk Gods!
Geen strijd weerklinkt er, er is geen enkel gerucht te horen.
Luister: het is de eeuwige vrede!
Dadoe zegt:
Daar alleen is het Al-Wezen Gods,
God alleen is mijn Vriend.
*
18
De Heilige Geest is mij zéér nabij.
Hij verlaat mij geen enkel moment.
Hij is één zowel uitwaarts als inwaarts.
Hij is de Vervuller.
Een waarlijk wijze onthulde mij het Geheim; aldus vond ik de Volkomene.
Mogen mijn blikken Hem altijd aanschouwen; Zie, Hij kwam tot mij.
In gemeenschap met Hem werd mijn weten volledig.
Ik leerde het zélf kennen: aldus leerde ik het verhevene leven.
In de gang van mijn schreden hoor je het ritme van het geluk.
de ziel des Iks en de ziel des Als werden één.
Geen hart is voor God ontoegankelijk.
Hij gaat in tot elk hart,
Dadoe zegt:
In alles schouw ik Één-en-de-Dezelfde.
*
19
Daar waar God, de Volstrekte, zich zelve tot woning is,
daar ontmoet de dag niet de nacht,
daar is noch aarde, noch hemel, noch zon en noch schaduw,
daar is noch lucht noch water, daar is slechts de Al-Wijze,
daar stijgen noch zon en noch maan,
daar zwijgt doods trompetsein,
smart noch blijdschap vinden er toegang; Zijn woning is onzichtbaar, onbenaderbaar.
De greep van de dood is er machteloos, niemand slaapt of ontwaakt daar.
Daar is noch ondeugd noch deugd, daar woont de Verborgene, de Zijnde-in-volstrektheid alleen.
Daar woont de Heer die de harten vrede schenkt.
Dadoe zegt:
Gedenk Hem met innige aandacht, die de maten-loze ruimte vervult, bij wie drie stromen te samen vloeien.
*
20
Gedachten aan God; zo is het leven van de yogi.
Dit is het verstandeloze denken , het tongenloos drinken.
Het zien zonder ogen, het oorloos horen, het diepe-verzonken zijn in de ziel, het los-zijn van elke twee-slachtigen zin.
Het schrijden met voeten op een onzichtbaar pad en aldus de rust bereikt.
Het is het zich lichaamsloos geven aan God, het is als water in water worden.
Het is als terneer zitten zonder stoffelijke aanraking, het is het handloos bespelen van de rietfluit.
Het is het ledenmatenloos dansen, het mondloos jubelen van Zijn roem.
De yogi is los van begeerte en deugt, volkomen God gedenkend, zonder zintuigen smaakt hij al de vreugden.
Dadoe zegt:
Voorwaar, deze is mijn goeroe, hij is de verhevene yogi, Hij is God-zelve.
*
21
De geest volgde maya: dit is het bedrieglijk dwaalpad.
Dwaas die je bent, ik zie U, holle bolle blaaskaak van ik-zucht!
Bezin u, o hart, want u verloor “waar” voor “onwaar”.
Weldra bereikt de dood u en niets zal van uzelf zijn.
De mens denkt, ik, en de mens denkt, mij-, de geest van de mensen is slechts van zichzelf vervuld.
Eens vervluchtigt uw leven, wat zal u noch resten?
Met domme verblinding treft maya koning en bedelaar.
Sluw besluipt zij heersers der aarde, on-aflatend tot het einde van hun leven.
Denk maar niet dat maya u na de dood nog vergezelt.
Beschouw deze woorden, overdenkt ze.
Dadoe zegt:
De wijzen zullen zich naar binnenkeren, zij zullen Hari aanbidden en richten hun geest op Ram.
*
22
Wij; die geboren zijn om te sterven…
God zond ons de dood tot gezel.
Sinds de tijd dat ik mij in de dood verdiep,
volg ik het pad der onsterfelijkheid.
De dood verontrust mij niet, geboren werd ik om te sterven, hoe zou ik de gedachte aan de dood betreuren?
De dood is mij welkom: ik weet van het geluk na de dood.
Ik bluste in mij de brand van aardse begeerten; ik ben Eeuwig geworden.
*
23
Waartoe, Heer, schiep Gij het al?
Wie vermag uw doel te doorpeilen?
Waart Gij scheppend ter zelf-openbaring of ter bevrijding, o Heer, uwer schepselen?
Waart Gij doende opdat uw dienaren U schouwen?
Zijt Gíj alléén het al?
Of schiep Gij opdat Uw dienaren U nederig aanbidden?
Speelde Gij, scheppend een spel?
Of riep slechts een gril het Al tot leven?
Dadoe roept:
O Gij wolk-witte Éne, onthul dit onzegbaar mysterie.
*
24
Aanvang en einde; zei God.
De ziel met Hem in één gemeenschap.
De geest vond het pad naar het lotos-gelijke verblijf, naar de kern van het leven.
Waar Niddhi’s en Brahma’s hun blijdschap oogsten.
Daar is dag noch nacht.
De ziel ziet haar Heer, de liefde der ziel omhelst hem.
Oren vernemen Zijn woord, ogen schouwen Zijn aanschijn, de ziel biedt Hem haar zang van Zijn glorie: zonnelicht zijn én aanvang én einde.
God openbaarde zich aan, mij.
Dadoe zegt:
Zie mij, Heer, zie mij; Uw offerande.
*
25
Een grote slok dronk ik van Zijn liefde, ik werd een bedwelmde.
De bedwelming beduidt; het-nooit-sterven.
Hoog boven de aarde werd ik opgeheven, mijn lippen beroerden de koele rand van de kelk zijner liefde.
Golven der eeuwigheid wiegen mij, ik ging aan de dood voorbij.
Dadoe spreekt:
Zij, die drinken, drinken Ram’s liefde onstilbaar en eindeloos.
*
26
De twijfels omtrent leed en vreugde wierp ik van mij af.
Ik vond de innerlijke overgave aan Ram.
Vreugde en leed zijn schijn, schijn die de ganse aarde geboeid houdt.
Het leven gaat voorbij in zelfzucht en zinsgenot.
Nog immer kunt gij, o mens, uzelf niet beschermen.
Gij vermaakt u in leugens en steeds smaller wordt gij ingekapseld door maya’s listige glinsterende weefsels.
Dadoe leert:
Laat leed noch vreugde u vergezellen;
Geef Rama slechts uw hart.
*
27
Niemand kan de onkenbare bevatten, hoe kan ik die dan beschrijven?
Velen doorgronden de veda’s,
velen delfden kennis uit de heilige schrifturen,
velen zijn vreesloze zoekers naar Atman,
velen in tal zijn goden en mensen, verkerend in een verzonken staat God’s.
Velen beoefenen de houding der heiligen, bepeinzen de ongrijpbare Heer, velen bonden de Geest met banden van tucht,
velen betrachten het Goddelijk weten,
velen zijn priesters en wijzen.
Velen roemen hun geleerdheid in God geen echter kent de bestemming, geen kust werd ooit zichtbaar.
*
28
In U vond ik toevlucht, vergeefs zwierf ik verre;
redt mij, o Heer, ik ben zeer bedroefd.
Met honger, met talloze boetedoeningen kwelde ik mijn lichaam,
ik doolde; een onwetende; hitte en koude folterde mij beurtelings, de gekartelde snede van een zaag was mijn ligplaats.
Nu kán ik niet meer, mijn leden werden verlamt van ’t aldoor dwalen door wouden en bergen, in de drift naar de dood stortte ik mij van de rotsen.
Mijn ogen werden blind; het meest nabije, hoe zal ik het ontwaren?
Ik heb U verlaten, het helse vuur schroeit mij aan.
Dadoe zegt:
O Hari, biedt deze ootmoedige zonder gans vergiffenis.
*
29
O God, Uw dienaar is alléén mens bij Uw genade.
Wij verlaten u onophoudelijk, maar Gij, o God, Gij houdt ons vast en verenigt U met ons.
Voortdurend vergeten wij U, doch Gij, Heer, vergeet ons niet.
Wij schreiden, verblind, op boze paden, maar Gij, Heer, verlost ons.
Verdwaalden zijn wij, maar Gij verlaat ons niet en leidt ons naar het eind van de reis.
Wij ontrukken ons aan U, Heer, doch Uw liefde is volhardend.
Dadoe spreekt:
Niet bezit ik de U behagende deugden, o God, toch ben ik ,Heer, een hunkerende om Uw gelaat te aanschouwen.
*
30
De zalig-verdwaasden door Hari’s liefde, aldoor gedenken zij hun Heer, aldus verwerven zij vergetelheid van leven en dood.
Zij drinken de loutere essence, de enige liefde en wensen niets méér.
Zij zijn zéér in Rama, hoe zouden zij zich bekommeren om hemel of hel?
Onophoudelijk psalmen zingend tot zijn lof, gaan zij op in deze zang, en niets wensen zijn méér.
God schenkt hun gouden giften, maar zij zijn achteloos en Ram behoeven zij niet.
Er is niets dan dit doel voor hun geest, hun hart zwijmelt om Hari’s volkomen liefde.
Dadoe zegt:
Zij, de bedwelmden door Hari’s liefde,
Over-zaligen zijn zij.
Enkel zíj leven die Hari’s dienaren zijn.
*
31
Mediteer in Rama aldus; merk Atman in alles op.
Gelijk u-zelve, zie zó alle schepselen aan.
Schouw de éne Rama in alles, want er is geen onderscheid, de minnaar van Rama ziet dezelfde Atman in alle levende harten, voorwaar hij is mijn waarachtige ziel.
Dadoe leert:
Gelooft, mijn broeders, in Rama, er is geen ander geloof; aldus mijn geloof.
*
32
Wie van ons zal Uw wezen werkelijk kennen?
Gij alleen weet wie Gij zijt.
Ons begripsvermogen is er té pover voor.
Onuitspreekbare verten scheiden onze geest van U.
Machteloos is de gedachten en machteloos de taal der woorden.
Noch door yogi, noch door zelf-inkeer, noch door weten vermogen wij u te benaderen; steeds verder verwijdert de gedachten ons van U.
Mensen bedrijven yogi, oefenen lichaam en adem; tussen hen en U blíjft steeds grote afstand.
Menigeen tracht U vergeefs te vinden, hoe zouden wij het ondoordringbare doordringen?
Dadoe zegt:
Slechts een enkele uitverkorene zal een glimp van U schouwen.
*
33
Dit, wat u waarneemt, o geest, het ís niets, verborgen en ontoegankelijk, zo is het waarachtige.
Nachtduisternis houdt het al omhuld, gij ziet een koorden gij noemt het dier: slang.
Vreemd voor de blinden is de wereld, hetgeen een slang schijnt is een koord.
De geest verdiept zich in luchtspiegelingen, de geest bouwt zijn dag op valse hoop.
Zwervers naar de geest, op zijn zoektocht naar water sterft hij van dorst.
Hij vermaakt zich in zinsgenot, de genieting der zinnen zal vervluchtigen gelijk een droom.
Eenmaal ontwaakt hij wellicht en zal berouw hem bevangen.
Dadoe leert:
Deze wereld bevat niets werkelijks, zoek alleen de waarheid.
*
34
O Rama, een lijder ben ik geweest die U naam niet vertrouwde.
Ik wikte de vele bekende wegen waar ik U kon bereiken.
Enige zijn yogi bedrijvend en mediteren.
Enige volgen als blinden de familiegewoonten.
Enige aanbidden verscheidene goden en godinnen.
Enige speuren naar wereldse voorspoed.
Enige bestuderen de Purana en Veda.
Enige onderwerpen zich aan Maya.
Enige zijn naar wijd en zijd dwalend.
Enige noemen zich apostelen en de taal hunner monden is soepel en vloeiend als water.
Enige martelen het lijf van vlees.
Enige spelen ten-dood-toe-verliefden, en storten zich in zwaarden.
Enige streven naar om nimmer te sterven
Enige vluchten in holen, als dieren.
Zij alleen echter zijn waarlijk ontwaakten wiens hart zich opende voor de Liefde: Rama.
Dadoe zegt:
Ik wikte inderdaad, Hari bekoort mij.
*
35
Hari, o heiligen, is mijn geloof, het uitspansel der hemelen.
Hij, voor wie zoveel duizenden mensen hun lichaam folteren, in de waan de vrede des geestes te verwerven, ik vond hem moeiteloos.
Licht kwam hij tot mij, voor wie zovele duizenden boete verrichten, lijdende aan hitte en koude.
Toen ik beschroomd hem naderde werd ik de Waarheid gewaar.
Voor wie zoveel duizenden zwerven en sterven mocht ik schouwen, bedrogenen?
Toen ik Hem aankeek doordrong zijn zaligheid mij.
Hoe kan hij verdwalen, die Zijn liefde begrijpt?
Dadoe zegt:
Hari’s genade rust op mij, Hari slechts ken en erken ik.
*
36
Ziet, op mijn hart is Uw beeld net zoals de hommel de stamper kent.
De patrijs roept om regen tot de schemering van de dag, zelfs als hij sterft wordt zijn verlangen niet gedoofd.
Het dier der wateren, zal ook als het sterft, nooit vergeten waar het woont.
De nachtvlinder sterft in het vuur, er is alleen maar vuur, hij wijkt niet maar sterft in de vlam.
Dadoe zegt:
O Heer, ik weet dat ik U nooit zal verlaten, ook in de dood niet.
*
37
Nergens, o God, ontwaar ik U, mijn hart is zeer bedroefd.
Nevelen zijn tussen U en mij dat zijn de scheidende sluiers en ik weet hoe ik zonder U niéts ben.
Voor eeuwig verbond ik mij aan U, o geliefde, kom en bevrijd mij.
O Heer, onzichtbaar zijt Gij!
Kom, en openbaar U aan mij!
De Rama-minnende kent geen andere vriend.
Hem wien ik in mijn hart bemind, hij is verborgen in nevelen.
Doch hoe zal ik buiten Hem leven?
O Keshab, ik ben zonder U troosteloos en ik ween.
Gij houd u aanschijn verhuld, deze nacht is ondragelijk.
Dadoe spreekt:
Helaas, slechts Gij alleen kan dit hart genezen, Heer, verbreek Uw verborgenheid.
*
38
Het leven is wreed en wanneer zal dit eindigen?
O mijn stralende geliefde reeds zo lang wacht ik al om Uw gelaat te aanschouwen.
De trage nachturen zijn weldra vergaan, de dag is reeds glorend.
Voorbij is dit leven; Gij bent niet gekomen.
Waar verblijft u rover mijns harten?
Moeizaam waakten mijn ogen, zij ervoeren uw zegen niet.
Dadoe zegt:
Gelijk de minnende wenst de beminde, aldus roept de vogel patrijs naar de regen.
*
39
De Heer houdt de wacht, eeuwig waakt de Heer over ons.
Ziel, waarom sluimert gij, hoe kunt ge de Heer ooit ontmoeten?
Gij deelt de zelfde sponde met hem, maar Hij blijft u verre; gij ontzegt u de liefde vervulling.
Nooit werd ik één met mijn Heer, want ik sliep en ik sliep mijn ganse leven.
Waak op, gij verdwaasde, voorbij gaan de dagen van uw leven, uw lichaam werd wankel.
Dadoe spreekt:
Mensen zijn dwazen, waanbeelden verblinden hen.
*
40
Gij alleen zijt, en alles is het Uwe; noch ik, noch het mijne bezit énige waarheid-
Toch roept men: ik en het mijne.
Gij alleen zijt, en het heelal is Uw spel-
Toch roepen de dwazen; ik en het mijne.
Gij alleen zijt, en niets ís buiten U-
Toch in zijn holle trots praalt de mens: ik en het mijne.
Gij alleen zijt, en de dood kan U niet doden-
Maar ik en het mijne zal weldra sterven.
Gij alleen zijt, en het Al is van U vervuld-
Maar ik en het mijne zal spoedig eindigen.
Gij alleen zijt, en Uzelf zijt ge tot woning-
Maar ik en het mijne zal ras vergaan.
Gij alleen zijt, en kunt zeggen IK BEN-
Maar ik en het mijne is …nergens.
Gij alleen zijt, en louter het Uwe landt eenmaal.
Dalend in mateloze diepten, zegt Dadoe, puurde ik deze wijsheid.
*
41
Dit weet ik van Rama: geen kent Zijn aanvang of einde.
Licht is Hij, noch zwaar, niemand kan Hem doorgronden,
de Al-Vervuller.
Woorden zijn niet bij machte om Hem te benaderen;
Hij is onbeschrijfelijk.
Wijzen en heiligen hebben Hem nimmer begrepen.
Aanvang noch einde bezit Hij; Hij is oneindig, wijze en heilige weten niets van Hem.
Ach, ik Dadoe, ben slechts een wijze.
*
42
Het droombeeld van Allah en Rama is verbannen uit mijn geest.
Sedert ik U in alles zie, zie ik niet langer onderscheid tussen Hindoe en Turcomaan( Islam).
Beiden bezitten een ééndere ziel, lichaam, bloed, vlees, ogen en neus; beiden zijn schepselen des Heeren.
Beiden horen met oren, proeven met tongen, beiden lijden honger en beiden ontvingen hetzelfde begrip.
Beider verlangens en beider vrezen, zijn van gelijke aard en oorsprong.
Beiden lijden gelijke smarten lachen om gelijke vreugde.
O schepper, o Hari, gij vormde het al en Gij beleed geen voorkeur.
Dadoe zegt:
Dit weten wetende krijgt de geest vrede.
*
43
Voortdurend richt ik mijn hart op de Vormer van het Al, de liefde van mijn hart omringt Hem voortdurend.
Ik schouwde in mijn hart en ik zag Hem van aangezicht tot aangezicht.
Nu verlaat ik Hem nooit meer, tot de bodem toe drink ik de kelk der onsterfelijkheid leeg.
Ik ontwaarde de gloed van zijn wezen, ik dook er in onder.
Daarna wist ik Hari slechts Hari-, ik wist het leven dat eeuwig is dat is Hem, niets anders is dan Hari.
De geest toefde in het hart en ving de schittering der Al-Ziel op.
Zie Mij, sprak de Heer.
Dadoe zingt:
Voorwaar, Hij alleen is mijn Vriend!
*
44
O Heer, hoe zal ik aan de overzijde landen?
Geen boot is nabij.
Zonder Rama’s liefde zal ik ondergaan.
Kennis bezit ik niet, noch kracht tot inkeer in mijzelf, noch godshonger, leeg ben ik aan waarden.
Liefde is mij vreemd, Uw naam verzwijg ik, mijn hart is bevreesd.
Geen kust is te bekennen en geen pad voor mijn voet.
*
45
Wee mij, een daadloze was ik, de stroom van dit leven vloeide vergeefs voorbij- mij rest slechts berouw.
Mij voor U op te offeren hebt ik geminacht, nimmer beroerden mijn lippen de rand van de beker der liefde; wee mij, ik was een nutteloze.
De kleurige gloed van zijn wezen bleef verre van mij, nooit zwijmelde ik van Zijn weelde, nooit werd ik één met Hem.
Ik heb de Heer niet gevonden, ik volgde de leugenaars ,niets heb ik volbracht.
Nu leef ik in de angst der verlatenheid.
Dadoe spreekt:
Geloof in de enige Heer, de Heer is een redder.
*
46
Dadoe Das zegt:
Sla acht op de dood, laag over uw schedel gonzen pijlen des doods.
Overwin de dood, vernietig uw hartsverlangen , zodat de wereld niet triomfeert.
Stort u niet in de roes der zinnen, keer tot uzelf in, verspil de schatten der ziel níet.
Wentel de last der wereld van uw schouders af, laat het u niet langer bezig houden.
Dit is uw uur, ontwaak, o zwerver, de dag is aangebroken, weldra verlaat gij dit doorgangshuis.
Jeugd en genot, dit al omvatte, schaden slechts het zíjn.; het lichaam is bedrog.
Laat u niet aan het droombeeld binden, zweer holle trotsheid af.
Wees een zwemmer in de oceaan van de eeuwige zegening.
Drink het water des levens, zwelg niet langer in het gif der aardse geneugten- volg deze raad.
Aldus spreekt Dadoe:
Ken het Ander gelijk u-zelve, ken uw goddelijke Heer.
*
47
Sinds ik Uw heerlijkheid mocht aanschouwen verliet ik de dingen dezer wereld.
De gloed van de Verhevene werd mijn huis, de golven der eeuwige grenzeloze zee der genade werd mijn sponde.
Daar vond ik de opperste blijdschap, daar aanschouwde ik het licht en de dans der onsterfelijke lente.
Dadoe weet:
Dáár ligt aanvang en einde in besloten.
*
48
Duizelen doet Uw naam mij, de vrede is nabij.
Gij verscheen in gans Uw heerlijkheid, mijn ziel danste van vreugde.
Vol van U zijn mijn ogen, ziel en lichaam storten zich in U en gingen teloor.
Dadoe roept:
Ik ben waanzinnig van liefde, Uw kleur maakt mij dronken.
*
49
Erbarm u, Heer, over mijn smart, treedt mijn woning binnen.
Dan zal ik heel mijn lijden aan U meedelen, want niemand anders kan mij troosten en redden.
O mijn alwetende God, zonder U kom ik om.
Schenk mij de genade van Uw komst, de nacht spoed ten einde.
Afgemat ben ik van het spieden naar U, de bron van mijn ogen verdroogde.
Dadoe zegt:
Zozéér bedroeft is Uw minnaar, waartoe, Heer, houdt Gij U verborgen?
*
50
Geliefde, ik hunker om met u te spreken opdat de vrede mijn deel worde, nimmer verlaat ik mijn Heer.
De dood zal voor dit leven komen op een uur dat ik niet ken, maar mijn Heer wel.
Ledig, geliefde, is mijn sponde, U vind ik er niet in, rampzalige die ik ben.
Ik oogst gelijk ik gezaaid heb.
Geliefde, mijn hart is wijdgeopend voor U, kom!
Want met U ben ik onbevreesd.
Dadoe zegt:
Een zondaar ben ik, Heer, verlos mij.
*
51
Beter dan Rama’s naam te verzwijgen, o broeder, is te sterven, want Zijn naam brengt uw ziel nader tot Hem.
Al zou U mij verbrijzelen, Heer, ik zal Uw naam niet verzaken.
Als U mij tot het uiterste foltert, ik zal U nimmer loochenen, Gij zijt de oorsprong van mijn leven.
Laat een vuur mij verteren, ik zal U trouw blijven, o Heer.
Dadoe zingt:
Hoe zalig ben ik geworden, het wezen van mijn Heer ervoer ik, ik hoorde de roffel van onaardse trommels.
*
52
Sinds ik het pad naar U betreed,
ken ik niets meer dan dit schrijden; U alleen schouw ik.
Ongevoelig voor smart werd ik, geen leed en genot kan mij nog benaderen.
Ik beroer de voeten van mijn Heer en mijn hart zingt onophoudelijk Zijn lof.
Niet langer deert mij de liefde der aarde, ik ben een onthechte.
Enkel de Oneindig éne is mijn vriend, ik schouw Hem ín mij.
In bloed en hart vond ik Hem, die de kern is van mijn leven.
Dadoe zegt:
Voorwaar, alleen God vervult het Al, zijn zegen is op mij.
*
53
De drie werelden heb ik doorpeild, doch alles is Hari.
Deze zichtbare wereld zal gans verijlen, dit heeft de goeroe aan mij geopenbaard.
Aarde, hemel, de lucht en het water, de zon en de maan, zij zijn onbestendig.
Dag en nacht gaan voorbij, Hij slechts zal blijven.
Heiligen, priesters, profeten en mullahs, Shiva, Indra, goden, zij allen, geborenen, zullen eens sterven, Hij slechts zal blijven.
De vele duizenden bergketens, de zee, oceanen, rivieren, valleien; eens gaan zij te onder, Hij slechts zal blijven.
Hij is in alle eeuwigheid, God alleen kan niet sterven.
Dadoe zegt:
Gans de wereld wordt rook; de Heer zal slechts blijven.
*
54
Hoe zal ik hem vinden, die mijn enige vriend is?
Zeer nabij is de Heer en toch schijnt hij ver weg.
Dat Hij zich aan mij zal openbaren!
Hoe lijd ik, in mijn groot verlangen naar Hem, hoe rusteloos is mijn geest!
Eénzelfde huis verkoos Hij met mij, tot woning, doch mijn blikken ontwaren Hem niet.
Ach, dat Hij zich aan mij zal openbaren!
Ach, hoezeer martelt dit weten mij; mijn Heer is nabij en toch schijnt Hij verre.
Dat ik Hem zal mogen aanschouwen!
Wat is het mij, zo Hij nabij is en mijn blik in de blinde tast….
Hoe moet ik handelen om mijn Heer te aanschouwen, hoe zal ik mijn Heer vinden?
Ach, mijn rusteloos hart!
Dadoe zegt:
Hoe moeilijk is het voor de minnaar in dit na-, en ver-zijn van de Liefste.
*
55
Mijn broeder, roemen wij dit kostbare leven, dat Rama mag aanschouwen.
De ziel drinkt het water der goddelijke liefde,
één is de ziel met haar Heer, overstelpt is zij door Zijn wezen, gezegend is zij met de nameloze weelde der eeuwigheid.
De ziel vond haar Heer, de ziel schouwt Rama van aanschijn tot aanschijn, als geliefde des Heeren rust zij aan Zijn hart en duizelt van zaligheid.
Dadoe zegt:
O mens, dit leven komt niet weer, hoe verspilt gij zo roekeloos een schat!
*
56
Wat is het woord?
En wie kan het bevatten?
Wat is de goddelijke vorm en wat is de aandachtige inkeer tot het diepste in uw zelf?
Wie is de kenner en wat is de kennis? wat is de heilige bemijmering?
Wat is het waarlijk doorgronden van uw wezen?
Wat is het innerlijk zich uiterst richten op gebed en aanbidding?
Wat zijn de werken van de deemoedige en wat is de goddelijke liefde en het hunkeren naar de geest?
Wat is het waarlijke dienen? O, vertel het mij, meester!
Aldus schenkt de Al-éne aan Dadoe zijn antwoord:
Wis de belemmeringen van het “ik” uit, aanbid Hari, zuivert uw lichaam en ziel en heb alle schepselen lief.
O Dadoe, merk uit mijn woorden op: het wezen van het “Stralende Dienen”!
Verlaat het zoeken van u, van schijn en van ijdelheid; de ootmoedige roemt slechts zijn Schepper.
*
57
Al-wetende God, Gij verschijnt mij in Uw zegenende genade en mijn tong kan slechts stamelen.
Al-wetende God, ziet, naakt sta ik voor U, niets houd ik verborgen.
Hetgeen ik bezit, het is U genade onwaardig.
Een machteloze was ik, U te bereiken-
Gij had erbarmen over mijn onmacht.
Niet in staat was ik, U te naderen door kracht noch van geest noch van lichaam, hoe, Heer, verwierf ik dan uw goedheid?
Het behaagde U, mijn Heer, thans mij te beschermen onder uw hoede.
Gij, Heer, zijt aanvang en einde, de maker der drie werelden zijt Gij.
Dadoe spreekt:
Niets, Heer, ben ik uit mij-zelf, uit genade komt gij tot de nietige.
*
58
Schrijdende ga ik de weg van de waarachtige God, het is goed die te gaan, Hem alleen schouw ik.
Geen enkele pijn vermag mij te teisteren, sinds ik ga tot God, ben ik verlost van lust en leed.
Ik beroerde Zijn heilige voeten.
Zingende loof ik Hem.
Niemand anders dan Hij ís.
De oneindig éne werd mijn vriend, diep ín mij schouw ik Hem.
Mijn hart en ziel zijn Hem voorgoed tot woning
Het bekoort Hem dat mijn hart en ziel Hem voorgoed tot woning zijn, Hij het Leven des levens.
Dadoe spreekt:
Waarlijk, Hij vervult het Al, ik mocht Hem aanschouwen.
*
59
Enkel hij schout Rama:
die niet meer door de dood gedeerd wordt,
die los is van de tijd en van het ik,
die door smart noch wellust wordt gegrepen,
die door de schijn toch de wáre wereld ontdekt heeft,
die door zijn uiterlijke daden niet geketend wordt ,
die de schrift geheel doorgronde,
die wakend is, scherp, die onophoudelijk waakt,
die één werd met de énige God- en zijn kracht zal nooit falen-,
wiens begeerten tot as werden,
die woonachtig is ín hem, en aldoor met zijn gedachten bij Hem is.
Weet!, déze, spreekt Dadoe, hij geniet in mystieke verblijding van de aarde; hij geniet van de aarde, – toch is hij verre van haar.
*
60
Hart, gij woont in de Heer, gij zwerft nimmer weg van Hem, nog niet de duur van een bliksemschicht kunt gij Hem ontberen- gij bloeit hoog in Hem op.
Dáár proeft gij het geluk, waar zon noch schaduw is.
De Onsterfelijke Ene verbond zich met u, hóe dan zou gij Hem kunnen ontwijken
Gij smaakt de vrucht van Zijn heerlijkheid, gij smaakt Zijn wezen.
Goddelijke wijndrank druipt neer van de boom der onsterfelijkheid- en gij drinkt daarvan.
Dadoe zegt:
Waarlijk, mijn God mocht ik schouwen, ik schouwde Hem dáár waar de ziel rustend is met inwaartse oog-blik, nú ken ik mijn Heer en mijn geest heeft vrede.
*
61
Dáár zal ik een schoon spel spelen met mijn Heer.
Ziet, maagd, hoe gezegend ik ben!
Dáár vergroot mijn vreugde iedere dag, daar biedt Hij-zelf mij de dronk van zijn liefde aan.
Met Hem zal ik dansen, ik lig in aanbidding aan zijn voeten.
Dáár zal ik het volkomen woord vernemen, van de eerste tot de laatste klank verklinkt.
Weergaloos is de dans van mijn Heer.
Ik ben omringt door heilige blijdschap, drievuldig ben ik gezegend.
Dáár zwelt tussen het rijk ruisend lover der bomen de vrucht van de onsterfelijkheid.
Hoe weinigen weten het goddelijk geheim van mijn onzichtbare God.
Dadoe spreekt:
Waarlijk, daar woont de Volstrekte, aan Hem offer ik mij immer weer.
*
62
Hij vult de ganse ruimte, Hij, de hovenier Mohan.
Hij vertoeft in de gaarde die mijn lichaam is, dansend is Hij in zijn gaarde.
Mijn Heer daalde neder- o zijn grote genade!, mijn Heer daalde neder en speelt zijn schoon spel met zijn dienaar.
Mijn Heer is alomtegenwoordig, Hij is mijn ingang en mijn uitgang.
Hij is zichtbaar en onzichtbaar inéén, wie kan Hem doorpeilen?
Mensenwoorden kunnen Hem niet beschrijven; onmachtig en ijdel zijn woorden.
Dadoe roept:
O Gij onzichtbare en onkenbare, laat mij de reinheid van uw roem bezingen.
*
63
Een rover roofde het huis mijns harten, nu woont hij daarbinnen.
In-gaan wil ik in het huis mijns harten en Hari aanbidden.
Daar heb ik mijn God gevonden- in dit, mijn lichaam, verscheen hij.
Nu wil ik mijn vreugde vieren dat Hij komt.
Zijn betoverende blikken nam van mij het leven van deze wereld af.
Thans ben ik voortdurend Hem toegewend en ín mij schouwend, schouw ik mijn wolkkleurige Heer.
Hij, aller aanvang, openbaarde zich aan mij.
De schicht van zijn woord doorboorde mijn wezen.
Dadoe spreekt:
Nederzinken wil ik aan de voeten van Hem die zich aan mij openbaarde.
*
64
Wee, hoe pover ben ik aan waarlijke daden, wiens gunst zal ik hiermee verwerven.
O Hari, zelfs de Munis konden uw paleis niet vinden!
Shiva, Indra, Narada: zij zongen over uw roem, U smekend om toegang tot U.
Hoe kunnen machteloze
Als heiligen en wijzen Uw woning niet kunnen vinden, hoe dan de machteloze wel.
Dadoe zegt:
Helaas, de geringste der geringste ben ik, hoe kan ik God ooit zien…
*
65
Verdwaasde, gij! Hoe lang reeds zijt gij in verdwazing!
O maagd, hoe zult gij ooit de waarlijke blijdschap van het huwelijk kennen.
Willoos gaf gij u aan de schijn van het meest nabije en zag de ander niet.
Gij boog u niet aan de voeten des Heren, gij zag niet dat Hij op u wachtte.
Gij doofde de liefde in uw hart voor Hem, Hij deelde uw sponde, blind bent u.
Hij wachtte op de overgave van uw lichaam, Hij wachtte op uw geest en gij zag het niet.
Gij stond niet in deemoed voor Hem en brandende aanbidding,
gij weerde het overvloeien van zijn liefde in de schaal van uw binnenste af.
Het beeld van zijn wezen stond niet gedrukt op uw netvlies, de woorden uit uw mond, gij verspilde ze, nutteloos voor het éne, dagen en nachten lang.
O maagd, gij tooide uw ziel met nutteloze dingen, gij hechtte u ijverig aan het ónware- deze trouw was wormstekig gelijk ziek fruit.
Dadoe spreekt:
Ken niemand dan zijn enige Heer, slechts de aan Hem gehuwden zijn zalig.
*
66
Hoe anders zou u handelen, dan dat u handelt.
U bent, Heer, de toevlucht der armoedigen, u omkroont hun slapen.
Want zij loven uw God en u verheft hen; wie kan hén nog vernederen!
Vreesloos zijn zij geworden; uw handen zijn op hen.
Zij verachten de wereld, zij kunnen niet sterven.
Namdev, Kabir, de simpele wever en Rai Das, u redde hen Heer.
Dadoe spreekt:
Zij die gered willen worden, spoedig redt Hij hen, almachtig is Hari.
*
67
Mijn broeder, de tovenaar, speelde het spel der betovering- zichzelf houdt hij verborgen.
Weergaloos, zó zijn spel, het overmant allen.
Hij speelt, niemand schouwt de hand die dit spel der betovering bedrijft.
Hoe bedrieglijk is dit spel; gans de wereld houdt het gevangen.
De wereld, zij ziet het ónwerkelijke, zij ziet niet het werkelijke.
Bij het spel van mijn broeder vergeet zij ziel en zinnen, dit spel der betovering, nauwelijks één vermag het geheim te doorgronden.
Doch hij, die het eenmaal doorgrond, beschouwt plotseling de waarheid: het wezen van mijn broeder.
Dadoe zegt:
Voorwaar, hij alleen vindt de tovenaar, die zijn spelen doorgrondde.
*
68
Heer, doe mij u schouwen; ik wens dit niet ter bevrijding.
O Govinda, geen aardse schatten zoek ik, noch onaardse; ik wens Ù slechts te schouwen.
O Rama, ik heb geen zorgen om mijn genot of verzaking; ik wens Ù slechts te schouwen.
O God geen hoogte zoek ik of laagte; Ù slechts wens ik te schouwen.
Dadoe zegt:
Ù alleen zoek ik, mijn God, hongerend ben ik naar U, Heer, verhoor mijn smeking.
*
69
Kom, o Rama, mijn hart en mijn huis staan wijd-open voor U.
Ik wil mij aan U offeren en U danken.
Vol onrust tuurt de beminnende uit over de heirweg en roept
”O geliefde”!
Een reiziger gaat voorbij, zij vraagt hem “zag u de geliefde”?
En tuurt over de heirweg uit en weent.
Zij wentelt zich in haar sponde, rusteloos, rusteloos roepend: O Rama!
Zij vergeet haar lichaam en haar ziel.
Dadoe zegt:
Zij die Rama beminnen zijn van zich zelve beroofd, Hij de Al-Enige Minnaar.
*
70
De wereld zoekt slechts zich zelf; dus zal zij voorbijgaan, blind doorverblinding.
Een waanzinnige is zij, de wereld; zij doolt verloren in het woud van haar waanzin.
Ik slechts en het mijne kent de wereld; hoe dan zou zij God kennen?
Het juweel in ieder wezen, de wereld heeft het verworpen, achteloos en roekeloos.
Haar begeerten, haar-zelf slechts interesseren mij: immers, ik en het mijne…
Zij overweegt niet, hoe niets in de wereld haar eigen is en hoe zijzelf ook niets is.
Al hetgeen geboren werd, het is aan de dood onherroepelijk verpand.
Zij begeert haar leven en de wereld, dit begeren doet sterven.
Keer in ,wereld, tot dit weten , keer in tot uzelf, en met God zult u één zijn.
Dadoe zegt:
De Heer alleen is mijn vriend, de maker der dingen.
*